Afgelopen weekend maakten Arian en ik samen een bijzettafel.
Geen kant-en-klaar ding. Eentje die precies goed was, omdat de rest altijd te groot was, te hoog, of de kleur klopte niet.
Na twee dagen knutselen stonden we ernaar te kijken. En ik moest meteen aan mijn vader denken.
Hij zei het vroeger en echt goed bedoeld, laat je broer dat klusje maar doen, want die is veel handiger als dat jij bent.
Als kind geloof je dat gewoon.
Wat je gelooft over jezelf, komt niet altijd van jou
Ik dacht jarenlang dat ik niet handig was, gewoon omdat iemand die ik vertrouwde het zei, en ik het voor waar aannam.
Mijn eerste bouwwerk was pas op mijn achttiende. Een ladenkastje.
Dat kastje heb ik nog steeds, staat trots op de zolder.
Het kastje bestaat nog. De overtuiging hoefde dat niet te doen
Wat je als kind over jezelf leert te geloven, zit vaak zo diep dat je het nooit meer bevraagt.
Het voelt als een feit. Het voelt als jij.
Maar het is een conclusie die iemand anders trok, op een moment dat jij nog niet wist dat je zelf mocht kijken.
Dat geldt voor handigheid. Maar het geldt net zo goed voor wat je denkt dat je mag zeggen. Wat je denkt dat je verdient. Hoe zichtbaar je denkt dat je mag zijn.
De vraag die ik je wil stellen
Wat geloofde jij vroeger over jezelf dat helemaal niet waar bleek te zijn?
En, belangrijker: draag je het nog steeds met je mee?
Soms zit datgene wat je tegenhoudt niet in wat je deed of niet deed. Het zit in wat iemand anders ooit over jou besloot, en wat jij daarna voor jezelf overnam.



